Bach en het orgel

Geschreven door Kees Wisse
 

de noten van Bach

Er heerst een aureool rondom de muziek van Johann Sebastian Bach. Zijn noten zijn zo heilig, daar mag je eigenlijk niets aan veranderen. Die dien je met de grootste eerbied, zo getrouw mogelijk te spelen. Sterker nog, in het kader van de authentieke uitvoeringspraktijk moet je zijn composities intensief bestuderen, een veelheid aan bronmateriaal verzamelen en proberen de muziek in de juiste context te plaatsen. Pas dan kun je in volle overtuiging Bach precies zo spelen zoals Bach het bedoeld heeft. Maar is dat werkelijk het ultieme wat je met zijn muziek kunt bereiken? Stadsorganist en bespeler van het Doelenorgel Geert Bierling denkt van niet. Spelend met de noten van Bach, zijn eigen inspiratie volgend, maar ook die van vele anderen, legt hij in drie concerten geheel nieuwe dimensies van Bachs muziek bloot. 

arrangeren als regel

Daarbij bevindt de organist zich in goed gezelschap, niet in de laatste plaats van Bach zelf. Want als er iemand goed was in het bewerken, hergebruiken en vrij arrangeren van eigen muziek en die van anderen, dan was hij het wel. Veel composities kom je in heel wat gedaantes tegen. Een prelude voor vioolsolo transformeert hij tot stuk voor luit of tot een virtuoze sinfonia met obligaat orgel als inleiding voor een feestelijke cantate, zoals en 1006, 1006a en 29 bewijzen. En ook schroomt hij niet muziek van Vivaldi en vele anderen naar zijn hand te zetten. Bach was zeker niet de enige. Arrangeren was in de hele barok eerder regel dan uitzondering. In veel gevallen was het ook inherent aan de wijze waarop men in deze periode met componeren omging. Muziek was niet zozeer een uiting van hogere kunst als wel iets dat er gewoon bij hoorde in het leven. Daarbij moeten we overigens wel bedenken, dat voor componisten zoals Bach, die zich voor een substantieel deel bezig hielden met kerkmuziek, dat dagelijkse muziekleven een eerbetoon aan God was met daarbij de intentie hun kunst aan een hoger doel te wijden.  
 
Met dit alles was er een enorme vraag naar muziek: voor elke zondag een nieuwe cantate of motet, elke maand een nieuwe opera voor het theater, voor elk hoffeest nieuwe sonates, soloconcerten of danssuites. Componisten hadden lang niet altijd de tijd om met iets nieuws te komen en een arrangement, hetzij van eigen werk, het zij van een collega, lag voor de hand. Ook de beschikbaarheid van musici werkte het arrangeren in de hand. Vrijwel altijd schreef men voor zangers en spelers die voorhanden waren. Werd het werk later nog eens uitgevoerd dan paste men de noten simpelweg aan aan wat er dan voor handen was. Vaak hielden componisten al rekening met de mogelijkheid tot arrangeren en vrijheid in uitvoering door in een compositie lang niet alles vast te leggen. Tekenend zijn titels als ‘Sonates pour un traversière, un violon ou hautbois con basso continuo, daarmee elke mogelijke bezetting open latend. Vaak stond ergens in een compositie ‘ad libitum, (naar believen). Op die plek was de muzikant geheel vrij om iets naar eigen gading te spelen of te improviseren. Ook het orgel en zijn muziek genoten vele vrijheden. Zo waren exact omschreven registraties, op een enkele aanduiding als ‘organo pleno’ of ‘a 2 claviere e pedale’ een zeldzaamheid en kon elke organist dat naar eigen smaak en de mogelijkheden van zijn orgel invullen.  

sonates voor viool solo

Bachs sonates voor viool solo zijn onderdeel van een serie van zes meerdelige stukken voor soloviool door Bach bijeengebracht onder de titel Sei Solo a Violino senza Basso accompagnato, met, naast de sonates, ook drie partita’s met dansstukken voorafgegaan door een prelude. De sonates hebben elk hetzelfde stramien: een langzame prelude met daaraan verbonden een fuga, gevolgd door een langzaam derde deel en een snel slot. Wanneer Bach deze muziek schreef is niet bekend. Het in schoonschrift gemaakte autograaf stamt uit de jaren rond 1720, in de tijd dat Bach aan het hof in Köthen werkte, maar waarschijnlijk schreef hij een aanzienlijk deel al in de jaren daarvoor in Weimar. Voor wie ze bestemd waren is onbekend, maar het is heel wel mogelijk dat Bach, die een uitstekend violist was, ze zelf uitvoerde. 

Nu was de periode van de barok bij uitstek een tijd dat men dacht en componeerde in harmonieën. Dan ligt muziek voor een melodie-instrument zonder begeleiding niet direct voor de hand. Het aantal composities in deze beperkte bezetting in die tijd is dan ook bescheiden maar niet echt zeldzaam, al was het maar om ook op dit soort instrumenten te kunnen spelen als er geen continuo voorhanden was. 
 
Maar als je de sonates goed bekijkt, zie je onmiddellijk dat in de muziek vrijwel overal de harmonie besloten ligt. Niet voor niets dat Bach in alle sonates een fuga voorschrijft, bij uitstek een meerstemmige vorm, waar hij zeer subtiel de polyfonie suggereert. Door het sterke harmonische karakter lenen deze werken zich bijzonder goed voor een uitvoering op een toetsinstrument, waarbij je naar hartenlust overal de harmonieën kunt aanvullen. Bach zelf deed dat maar al te graag. Johann Friedrich Agricola schreef in zijn necrologie van Bach dat de componist deze werken vaak op het clavichord uitvoerde en daarbij zoveel van de harmonie toevoegde als hij zelf nodig achtte. Dat deed hij meestal al improviserend, maar soms legde hij het ook vast. Van de Sonates nr. 2 en nr. 3 maakte hij versies voor clavecimbel en de fuga uit Sonate nr. 1 arrangeerde hij voor orgel. 
 
Voor Geert Bierling zijn de originelen en de bewerkingen een bron van inspiratie: ‘De transformatie van viool naar clavecimbel is al fascinerend. Als je kijkt naar de transcripties van Bach zie je dat hij, naast de uit de muziek zelf voortvloeiende harmonieën, regelmatig zelf nieuwe harmonieën toevoegt. Ook schrijft hij extra stemmen en versieringen die op de viool niet uitvoerbaar zijn, maar op het clavecimbel wel. Zelf maak ik de stap van viool naar orgel. Ik heb geprobeerd mijn arrangement te maken alsof een tijdgenoot van Bach dat geheel de stijl van de 18e eeuw gedaan zou kunnen hebben. Dat betekent dat ook ik noten en lijnen toevoeg en soms afwijk van de gesuggereerde harmonie. En natuurlijk maak ik gebruik van de eigenschappen van het orgel. Ik kan spelen met registraties en klavieren. En net als de viool maar in tegenstelling tot het clavecimbel kan ik noten lang aanhouden en op die manier enkele violistische trekjes handhaven die op een clavecimbel met zijn snel wegstervende noten onmogelijk zijn. Honderd procent 18e- eeuws is mijn bewerking natuurlijk niet. Ik leef drie eeuwen later in een heel andere tijd en dat kan en wil ik natuurlijk niet helemaal uitsluiten.’ 

Saint-Saëns 

Dat laatste geldt ook voor de vele transcripties van werken van Bach uit later tijd. De 19e eeuw is vol van Bach. Dat begint met Mendelssohn die in 1829 de Matthäus-Passion voor het eerst weer ten gehore brengt. Hij speelt echter niet zonder meer de noten uit Bachs partituur, maar bewerkt het geheel stevig voor de middelen en de stijl van zijn tijd. Deze uitvoering brengt een complete Bach-revival op gang. Overal wordt Bach weer gespeeld en gezongen, zeker als met de uitgave van het complete werk van Bach vrijwel zijn gehele oeuvre beschikbaar komt. Maar net als voor Mendelssohn geldt voor vrijwel alle bewerkers dat zij de muziek vaak naar hun 19-eeuwse hand zetten. Dat gaat soms ten koste van het origineel van Bach, maar leidt wel tot een ongekende creativiteit. Als organist en pianist kende Saint-Saëns natuurlijk wel enkele orgel- en klavierwerken van Bach, maar het cantate-oeuvre was hem volledig onbekend. Dat leerde hij kennen door Pauline Viardot. Deze beroemde zangeres had zich ingeschreven voor de complete Bachuitgave en als er weer een deel met cantates uitkwam, voerde zij die in haar Parijse salon regelmatig uit. Saint-Saëns, een regelmatige bezoeker van deze privéconcerten, was diep onder de indruk van de muziek. Hij nam zelf een abonnement op de Bach-editie en in de loop der jaren bewerkte hij enige composities voor diverse bezettingen. Eén daarvan was rond 1861 een kleine bundel met twaalf transcripties voor piano, waarin ook enkele cantatedelen zijn opgenomen. Saint-Saëns gaat bescheiden en met respect voor het origineel te werk. In de aria Auch mit gedämpften schwachen Stimmen uit Cantate BWV 36 probeert hij zo getrouw mogelijk zangstem, soloviool en continuo te volgen en laat alleen een enkele frase weg als dat technisch onspeelbaar is. Bij het openingskoor uit Cantate BWV 30 zijn de ingrepen iets groter omdat alle lijnen van een vierstemmig koor met orkest niet precies te volgen zijn. In beide gevallen kort Saint-Saëns de werken wel behoorlijk in. Eigenlijk laat hij niet meer dan de eerste helft horen zodat de werken het effect van een kort elegant pianostuk krijgen.

Guilmant en Reger

Alexandre Guilmant was zich zeer bewust van de rijkdom die de muziek uit vroeger eeuwen had gebracht. In diverse uitgaven bracht hij een groot aantal klaviercomposities bijeen uit de 17e en 18e eeuw. Maar soms pakte hij het ook groter aan. Tussen 1888 en 1894 verschenen van zijn hand vier bundels met bewerkingen van barokmuziek bedoeld voor groot orgel. Gezien de titel dacht hij bij deze transcripties aan het orgel van het Palais de Trocadéro, een grote evenementen- en tentoonstellingshal in Parijs waar Cavaillé-Coll een enorm orgel had neergezet. Dat komt goed van pas in de Sinfonia uit Cantate BWV 29, waar Bach naast een solistische partij voor orgel een voor zijn doen groot orkest voorschrijft. Handig gebruik makend van de mogelijkheden voor orgel met diverse klavieren en van het pedaal krijgt Guilmant het voor elkaar om vrijwel elke lijn van het origineel tot klinken te brengen. Daarmee wordt het een natuurgetrouwe transcriptie waaraan Guilmant maar zelden iets van zichzelf toevoegt, hetgeen overigens ook voor de ander twee bewerkingen van zijn hand geldt. 
Max Reger is zijn hele leven gefascineerd geweest door het werk van Bach. In de loop van zijn carrière heeft hij veel van diens werken getranscribeerd voor orgel. Maar ook in zijn orgelcomposities komt Bach regelmatig voorbij zoals een fantasie en fuga over de naam B-A-C-H en een suite met de suggestieve naam Den Manen Johann Sebastian Bachs. Maar volgens Geert Bierling is er één werk dat er uitspringt al lijkt het in eerste instantie niets met Bach te maken te hebben: ‘Een van de harmonisch spannendste werken van Bach is zijn Chromatische Fantasie en Fuga BWV 903. Reger heeft daarvan een bewerking gemaakt voor orgel. In zijn Zwölf Stücke op.59 bevinden zich een toccata in d en een fuga in D die prima als combinatie te spelen zijn. Natuurlijk zitten die beide stukken vol met de voor Reger zo kenmerkende gedurfde samenklanken die soms grenzen aan de tonaliteit. Maar als je veel van die laatromantische harmonie er af pelt dan houdt je een stramien over dat heel veel overeenkomsten vertoont met BWV 903 van Bach. Het is een mooi voorbeeld hoe je Bach op een uitdagende manier kunt transformeren naar je eigen tijd.’

chaconne

Een van de bekendste werken voor vioolsolo van Bach stamt niet uit zijn sonates, maar uit de partita’s. De Ciaconna uit de Vioolpartita nr. 2 BWV 1004 behoort tot de absolute top 3 van meest gespeelde werken van Bach. In een bijna eindeloze reeks variaties weet Bach een simpele dalende notenlijn om te toveren tot een caleidoscopisch universum van melodie en harmonie. Juist omdat die harmonie door de enkele viool vaker gesuggereerd wordt dan werkelijk gespeeld, is de verleiding groot om juist dit stuk te bewerken tot een compleet harmonisch geheel. En dat is de loop der geschiedenis ook talloze malen gebeurd, te beginnen bij Bach zelf die dit werk vaak al improviserend op zijn clavichord speelde. U hoort de Ciaconna in het derde concert van deze reeks in de versie van de Engelse organist en componist William Thomas Best. Zijn transcriptie is een toonbeeld van respect, maar ook van inventiviteit. Hij laat alle noten van Bach horen, maar wel met de klankmogelijkheden die het orgel hem met diverse klavieren en registraties biedt. En omdat je in plaats van vier snaren, twee handen en twee voeten tot je beschikking hebt is hij in staat om alle harmonieën schitterend in te vullen, niet alleen met akkoorden, maar ook met allerlei extra lijnen die het luisteren tot een waar avontuur maken.

luister op Spotify

Luister hier naar de volledige playlist met composities waarover in dit verhaal wordt gesproken.

Hieronder worden een aantal opnames uitgelicht.

Max Reger (1873 – 1916)
Zwölf Stücke op. 59 (1901) 

Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) 
Sonate voor viool solo nr. 1 in g BWV 1001
Sonate voor viool solo nr. 2 in a BWV 1003  

Fuga in b BWV 544/2 (1727) 

Franz Liszt (1811 – 1886) 
Präludium und Fuge über den Namen B-A-C-H S 260 (versie 1870)

Johann Sebastian Bach (1685 – 1750) 
Toccata adagio en fuga in C BWV 564 

cookies

We gebruiken cookies om uw bezoek aan deze website zo plezierig mogelijk te maken. We onthouden bijvoorbeeld uw persoonlijke instellingen. Ook gebruiken we Google Analytics om inzage te krijgen in de gebruiksvriendelijkheid van de website en deze vervolgens te kunnen verbeteren. meer informatie…

cookie instellingen